![]() |
![]() |
||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
![]() |
|||||||
|
|
|
||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Cor, 1928 Gerrit, 1928 den Hartog kinderen, 1946 Gerrit op McConnell's Nursery, 1960s Cor en Gerrit, Scheveningen, 1970 |
Achter het verhaal Dikwijls wordt ons gevraagd , “Hoe schrijf je met z'n tweeen een boek?” Maar dat was voor ons niet moeilijk. We deelden de enorme taak van onderzoek en stuurden het geschrevene heen en weer, nog eens en nog eens, totdat onze vier handen en twee hoofden elke paragraaf hadden doorgenomen en de tekst vloeide. Was het schrijven en opbouwen van het verhaal een uitdagende taak, het ontdekken van het verhaal was dat nog eens te meer. Onze grootouders, de hoofdpersonen, waren in de jaren tachtig gestorven, hun konden we niets meer vragen. We moesten als het ware een wereld en een tijd herscheppen. Het bleek een verhelderende, maar ook hartverscheurende zoektocht, waarbij we er al snel achter kwamen hoe weinig we eigenlijk wisten van dit stuk van onze eigen geschiedenis, en van de grote geschiedenis erom heen. Toen Duitsland Nederland binnen viel in mei 1940, waren Gerrit en Cornelia den Hartog begin dertig, jonger dan wij nu zijn, en net als wij, kinderen aan het grootbrengen. Maar toen wij hen leerden kennen, waren zij alleen nog Oma en Opa, grootouders die een rustig leven leidden in een dorp in het zuiden van Ontario. Opa had borstelige wenkbrauwen en diepe traliewerk- rimpels in zijn nek. Zijn zakken bevatten een onuitputtelijke voorraad Wilhelmina pepermunten, en rode hibiscus bloeide in de vensterbank van zijn voorkamerraam. Oma zei “yumbo yet” in plaats van “jumbo jet”, en al lieten oude fotos zien dat zij eens een rank figuur had, gaven de vormloze jurken die zij droeg als oudere vrouw, haar lichaam een tubeachtig vorm. Beiden hadden een zwaar accent en lange neuzen, en zelfs na lange jaren in Canada - zij emigreerden in 1951 – klonken en zagen zij eruit als mensen die van ergens oud en heel ver weg kwamen. Het was slechts een rit van acht uur van ons huis naar hun kleine bungalow in Aylmer , maar binnen leek het een andere wereld. De matrassen waren dun en de wollen dekens jeukten tegen onze kin terwijl we, wakker, lagen te fluisteren met elkaar, wij tweeen en ons middelste zusje Heidi. Kanten gordijnen hingen voor het raam van de huiskamer, en we aten aan een zware eikenhouten tafel met klauwpoten. Met opgetrokken neuzen proefden we zure karnemelk, donker kruimelig brood, en papierdun geschaafd paardenvlees. Na het eten las Opa uit de Bijbel, in het Nederlands – een prachtig geluid vooral door de zachte keelklankerige taal die wij niet verstonden. Oma luisterde met een kleine, tevreden glimlach op haar gezicht. Voor ons leek het dat zij een eenvoudig leven leefden. Opa werkte bij een grote commerciele boomkwekerij; zijn specialiteit was rozen,. De tuin naast zijn huis stond er vol mee. Zes dagen per week beheerde Oma haar eigen manufacturen-zaak, en een reisbureau waar een levensgrote kartonnen stewardess de klanten verwelkomde en een drie-dimensionele KLM jet rond draaide aan een draadje. Met de Kerst versierde zij de etalage met een grote plaat van Jeruzalem, verlicht met een spot en versierd met groene takken en witte lichtjes om te strijden tegen, wat zij noemde “al die santa clauses”. Opgerolde posters uit alle mooie plekken in de wereld lagen in de kelder van hun huis, maar Oma en Opa zelf reisden zelden – alleen, eigenlijk, om terug te gaan naar waar ze vandaan kwamen, al hadden zij nooit gedacht dat dat mogelijk zou zijn toen zij Nederland verlieten. Ze gingen naar de kerk en lazen boeken, en al gaven de kinderen hun op een keer een televisie met de Kerst, werd die weinig aangezet. Toch was het in hun woonkamer, dat we naar de landing van de maan keken. Opa’s geurige rozen werden nooit gesneden en getoond in een vaas, en alleen een paar afbeeldingen hingen aan de muur in hun huis: een stilleven geschilderd door een schoondochter, een olieverfschilderij van de kerk in Oma’s geboorteplaats Overschie, en een fotografisch portret van hun vijf kinderen, genomen een jaar na het einde van de oorlog. Behalve een verzameling exotische kamerplanten – bird of paradise, hoge cacti, treurvijg – was er geen spoor van iets dat frivool genoemd zou kunnen worden, helemaal niets dat niet nuttig zou zijn voor de dagelijkse gang van zaken. Dat is waarom het zo schokkend was voor ons, op visite, om een glimp op te vangen van Oma met haar knot in haar hand op een vroege morgen toen wij langs de badkamer glipten. Door de kier van de deur, zagen wij haar voor de spiegel, haar eigen haar gekamd in een hele kleine grijze knot achter op haar hoofd.. Ze plaatste de knot die wij kenden – wij hadden haar nooit zonder gezien – bovenop de kleine, en zette het geheel vast met spelden. Onze monden hingen open. Als dit onze moeder’s moeder – onze botertaartjes-makende, rondborstige ‘grandma’ die ons had laten zien hoe de banden van haar bustehouder permanente groeven hadden gemaakt in haar schouders- was geweest, dan zouden we de badkamer binnengevallen zijn met : “Waarom heb je een namaak-knot . Maar Oma’s stille intensiteit, die haar achteraf bekeken tegelijkertijd breekbaar en sterk deed lijken, hield ons op een grote afstand. Net voordat ze zich omdraaide, vlogen wij drietjes weg, ziek van het lachen en de verwarring. Toen wisten we nog niets, over het verhaal achter haar heel dunne haar. Zoveel als wij van haar hielden, zo weinig wisten we van haar. Wat we wel wisten, is, dat Oma weigerde de nieuwe partner van onze vader te ontmoeten nadat onze ouders gescheiden waren. Opa, of hij het hier mee eens was of niet, sloot zich aan bij Oma’s beslissing, en zo ging het door de jaren heen, toen het huwelijk van elk van hun kinderen uiteen viel en de een na de ander nieuwe relaties aanging. Oma’s onbuigzaam reageren maakte de familie nog meer beschadigd dan zij al was. Haar kinderen kwamen steeds minder langs, wetende hoe haar lijden tussen hen in zou hangen; en wetende ook, van de verwachting om samen naar de kerk te gaan als het bezoek in het weekend viel, en dat sommigen in de kerkgemeente hen grondig veroordeelden. Wij, daarentegen, wisten hier niets van. Zuigende op onze pepermunten, zaten wij door lange kerkdiensten en luisterden naar Hollandse preken waar Oma, gelukkig, om glimlachte, knikte en soms aandachtig fronste. Aan het eind en niet veel wijzer, liepen wij in een rij naar buiten met dames in nylon jurken en mannen in hun zondagse pakken. Hiertussen zag onze atheistische vader in z’n overhemd zonder das en met baard er zonderling uit . Net zo voelden wij ons ook buitenstaanders in deze Hollandse gemeente vooral bestaand uit naoorlogse immigranten. Maar voor Oma en Opa moet dit een veilige, opbeurende plaats geweest zijn, vol van gelijkdenkende gelovigen die net als zij, de oorlog in het vaderland hadden doorleefd. Deze “vreemden” begrepen onze grootouders waarschijnlijk beter dan wij. Nu – lang na hun overlijden – voelen we dat we hen eindelijk hebben leren kennen. Sterker ook is de band met onze vader en zijn broers en zus, en zo ook tussen hen. Per e-mail en persoonlijk, interviewden wij elk van hen, keer op keer, hun overlappende, en soms tegenstrijdige herinneringen inspecterend , en altijd proberend er nog meer uit te persen. Wat zich ontwikkelde was niet alleen The Occupied Garden/ Kinderen van de Tuinder, maar een grote stapel correspondentie die een familieschat zal zijn. Terwijl de stapel gedurende de drie jaar onderzoeken en schrijven van The Occupied Garden/ Kinderen van de Tuin groeide, begonnen wij te begrijpen waarom Oma en Opa zelden spraken over de oorlogsjaren: vanwege de pijnlijke herinneringen, ja, maar ook vanwege hun diep geworteld geloof dat net zo vreemd voor ons was als hun eten en hun taal. Zelfs toen de oorlog zijn dieptepunt bereikte voor de familie, geloofde Oma onwrikbaar: “Wij weten toch dat God alle dingen doet meewerken ten goede van hen, die God liefhebben”. Een buurvrouw uit Leidschendam heeft deze woorden in haar dagboek genoteerd. De jaren van detail in dit dagboek hielpen ons om ons een beeld te vormen van het dagelijks leven in deze plaats tijdens de oorlog. (Het boek, van Rie Batelaan, is inmiddels in Nederland uitgegeven als Verborgen Dagboek, en is boeiend om te lezen.) Die beschrijvingen, zowel als brieven, anekdotes, fotos, en historische verslagen, hebben ons geholpen het verhaal van onze grootouders in elkaar te passen. Maar na alles wat we hebben ontdekt, wilden we dat we toen geweten hadden wat we hen wilden vragen, toen ze nog leefden – dat het toen belangrijk genoeg was geweest voor ons . En wilden we dat zij toen hun ervaringen aan ons door hadden willen geven zodat die hun weg mochten vinden door de generaties ten goede van anderen. We hopen dat dit verhaal mag doorklinken bij anderen die ook in hun familie geschiedenis hebben gedolven, of wensen dat te gaan doen.
The content of this site is protected by copyright. |